Regels omtrent het eerste kievitsei
Regels voor het vinden en aanbieden van het eerste kievitsei
1. Het ei moet geraapt zijn op een plaats en een tijdstip waarop dat is toegestaan. Dat betekent dus niet in ganzengedooggebieden vóór een aangegeven tijdstip en niet op land waar het ‘aaisykjen’ door de eigenaar of de gebruiker is verboden of verboden voor bepaalde personen. Dus een nazorger die met uitsluiting van alle anderen mag zoeken op het land van een grondgebruiker, kan niet als vinder van een eerste ei worden erkend. De vindplaats moet dus toegankelijk zijn voor iedere daartoe bevoegde ‘aaisiker’ (zie 2).
2. De vinder moet in het bezit zijn van een geldige eierzoekkaart/nazorgpas tenzij hij/zij 11 jaar of jonger is. Alle aaisikers vanaf 12 jaar en ouder staan ingeschreven in de database: www.aaisykjen.nl. Vindt een boer op zijn eigen grond een eerste ei dan verstrekt de vogelwacht hem direct een eierzoekkaart/nazorgpas en verzorgt men de aanmelding op www.aaisykjen.nl. De boer moet dan wel nazorg op zijn landerijen toestaan en voldoen aan de overige bepalingen in dit reglement zoals het aanmelden van geraapte eieren via een sms-bericht.
3. De houder van de kaart/pas zendt voor hij/zij één of meerdere eieren raapt een sms-bericht met het aantal (1-4) door hem/haar gevonden en te rapen eieren naar een vooraf door de BFVW op te geven centraal nummer. Na het versturen van de sms ontvangt men een retourbericht met de melding of er wel/niet geraapt mag worden. De vinder neemt vervolgens contact op met de plaatselijke vogelwacht. De vertegenwoordiger van de vogelwacht controleert of het ei terecht is geraapt en wendt zich zo snel mogelijk tot de gemeente waarin het ei is gevonden met de vermelding van tijd en plaats. Is het gemeentehuis gesloten of anderszins niet bereikbaar dan is het verstandig de politie te bellen en tijd en plaats van vinden te laten vastleggen. De gemeente wendt zich tot de provincie wanneer het vermoeden bestaat dat er sprake is van het eerste provinciale kievitsei.
4. Kinderen t/m 11 jaar mogen zonder eierzoekkaart/nazorgpas ‘aaisykjen’. De geraapte eieren dienen door een bevoegd persoon via een sms-bericht aangemeld te worden.
5. Indien de vogelwacht niet te bereiken is, kan de vinder zich verstaan met het gemeentehuis, de politie of het bondsbureau van de BFVW.
6. Een lid van de vogelwacht of een andere deskundige controleert of er sprake is van een vers kievitsei (‘lotterje’). Voor het controleren van de juiste procedure kunt u contact opnemen met het bondsbureau van de BFVW.
7. Als er twee kievitseieren (bijna) tegelijkertijd worden gevonden, geldt het eerst gemelde kievitsei als eerste ei. Het tijdstip van de sms-melding is hierbij leidend.
8. Als het eerste provinciale kievitsei deel uitmaakt van een legsel van meer dan één kievitsei, is één bestemd voor de Commissaris der Koningin en het tweede ei voor de burgemeester van de gemeente waarin het ei is gevonden.
9. Het tweede ei dat gevonden wordt in de gemeente waarin het eerste ei van de provincie is gevonden, wordt beschouwd als het eerste ei van de gemeente en wordt als zodanig aangeboden aan de betreffende burgemeester.
10. Bovenstaande regels gelden ook voor het vinden van het eerste ei door de jeugd en daarvoor uit te reiken ‘Sulveren Polske’. De vind(st)er moet jonger zijn dan 13 jaar en moet het ei zelfstandig vinden. De vondst moet direct worden gemeld bij de plaatselijke vogelwacht. De wacht meldt de vondst bij M. Hoekstra (bondsbureau BFVW) te Earnewâld (tel. 0511-539750 / 0515-332331 / 06-45221590).
Het hoofdbestuur meldt de vondst vervolgens op het provinciehuis.